Transport kan groot aandeel hebben in de milieu-impact van bouwprojecten

Op donderdag 15 juni gaf de Belgische onderzoeker André Stephan op zijn thuisbasis, l’Université Libre de Bruxelles, een lezing over nieuwe methodieken om de milieu-impact van de gebouwde omgeving te evalueren. Samen met zijn collega’s aan de Melbourne University bracht hij o.a. in kaart welke impact bevoorrading en transport hebben op het totale energieverbruik bij de realisatie van bouwprojecten. André Stephan stelde enkele problemen vast bij de bestaande methodes om de milieu-impact van de gebouwde omgeving te evalueren. Zo focussen de huidige beschikbare evaluatietools zich telkens op één specifiek schaalniveau, namelijk materiaal-, element-, gebouw-, wijk- of stad, terwijl het net belangrijk kan zijn om op elk niveau een milieu-impact analyse uit te voeren. Bovendien ontstonden er hierdoor vaak dubbeltellingen en moest men te vaak uitgaan van hypotheses doordat men onvoldoende de details kent. Met de stad Melbourne als case zochten André Stephan en zijn collega’s naar het antwoord op deze vraagstukken en kwamen ze tot een nieuwe tool die semiautomatisch een levenscyclusanalyse kan uitvoeren. Kort samengevat analyseert de tool de materialenstromen om de gemiddelde materiaalhoeveelheden van een gebouwde omgeving in kaart te brengen. Deze hoeveelheden worden vervolgens gewogen met een coëfficiënt die de impact van de bevoorradingsketen in rekening brengt op het vlak van de ‘embodied energy’ of ‘de energie die het kost om het product te maken’. De tool is al toegepast voor verschillende steden en geeft op dit ogenblik een indicatie van de milieu-impact op het vlak van uitstoot van broeikasgassen, waterverbruik, materiaalverbruik én energieverbruik. De onderzoekers detecteerden bij enkele case studies o.a. de gigantische impact van het transport op het totale energieverbruik. Ze vergeleken ook de huidige situatie met mogelijke verbeteringsscenario’s, zoals het gebruik van PV-panelen, beter geïsoleerde gebouwen, het verminderen van transportafstanden, het gebruik van hybride auto’s, etc. In de toekomst willen de onderzoekers het model verder verfijnen, ze willen de technische levensduur van materialen en renovaties ook in rekening brengen en ze willen met de tool advies kunnen geven.

Dit was de korte samenvatting van het verslag door Camille Vandervaeren (VUB) en Mieke Vandenbroucke (VIBE vzw). Wie meer details wenst, kan het volledige verslag van de lezing hieronder lezen. Zoek je voor jouw bouwproject een partner voor het berekenen van de milieu-impact? VIBE vzw voert dergelijke studies uit. Stuur ons een e-mail indien je hierover meer informatie wenst.

 

 

Belgisch onderzoeker toont aan dat transport een gigantische aandeel kan hebben in de milieu-impact van bouwprojecten

Afgelopen donderdag was de Belgische onderzoeker André Stephan nog eens in zijn thuisbasis, de Université Libre de Bruxelles, en gaf er een lezing over zijn werk en dat van zijn collega’s aan de Melbourne University. Voor iedereen geïnteresseerd in de methodieken om de milieu-impact van de gebouwde omgeving te evalueren was de lezing van deze expert ter zake alvast de moeite waard!

André Stephan stelde enkele problemen vast bij de bestaande methodes om de milieu-impact van de gebouwde omgeving te evalueren. Zo focussen de huidige beschikbare evaluatietools zich telkens op één specifiek schaalniveau, namelijk materiaal-, element-, gebouw-, wijk- of stad, terwijl het net belangrijk kan zijn om op elk niveau een milieu-impact analyse uit te voeren. Door het scheiden van de evaluatie van de verschillende schaalniveaus kunnen bovendien dubbeltellingen ontstaan, waardoor een product meer impact toegemeten kan krijgen dan in werkelijkheid het geval is. Daarnaast wordt er vaak ófwel een top-down, ófwel een bottom-up benadering toegepast. Dit houdt in dat men van het hoogste schaalniveau, de stad, vertrekt om bij het kleinste niveau, de materialen, te eindigen of omgekeerd. Hierdoor moet men vaak uitgaan van veel hypotheses, omdat men bijvoorbeeld onvoldoende details kent.

Het doel van André Stephan en zijn collega’s was het integreren van de verschillende schaalniveaus, het vermijden van dubbeltellingen en het combineren van top-down als bottom-up benaderingen. Ze creëerden een tool die komaf probeert te maken met de huidige problemen en ‘semiautomatisch’ een levenscyclusanalyse kan uitvoeren. Deze tool analyseert de materialenstromen om de gemiddelde materiaalhoeveelheden van een gebouwde omgeving in kaart te brengen. Deze hoeveelheden worden vervolgens gewogen met een coëfficiënt die de impact van de bevoorradingsketen in rekening brengt op het vlak van de ‘embodied energy’ of ‘de energie die het kost om het product te maken’. Om accurate materiaalhoeveelheden te bekomen, worden vervolgens twee veelgebruikte methodes gecombineerd: de procesmethodiek en de input-outputmethodiek.

De procesmethodiek brengt de hoeveelheid energie in rekening die wordt verbruikt door een fabriek voor het produceren van één eenheid, bijvoorbeeld van één stalen IPE-profiel, door het delen van het totale energieverbruik van de fabriek door het aantal geproduceerde eenheden. De eco-invent database is bijvoorbeeld gebaseerd op deze methodiek. Een nadeel van deze techniek is dat de impacts slechts tot op een zeker niveau worden meegeteld. De milieu-impact van het promoten van bouwproducten zal bijvoorbeeld verwaarloosd worden.

De input-output methodiek daarentegen is vollediger doordat het alle financiële transacties van een land of regio in kaart brengt. Deze methodiek converteert deze transacties in energiestromen en vervolgens in milieu-impacts. André Stephan heeft de Australische ‘Industrial Ecology Virtual Laboratory gebruikt om input-output data te verzamelen. De procesmethodiek wordt echter aanschouwd als accurater of relevanter in een specifieke context

Door deze twee methodieken te combineren ontstaat een hybride methodiek die resulteert in meer accurate data en dito resultaten. André Stephan ontwikkelde hiervoor een matrix met de ‘embodied energy’ die nodig is voor de verschillende processen van de levenscyclus van een product. Met behulp van deze matrix kan er zo een vereenvoudigde representatie van de bevoorradingsketen gegenereerd worden in de vorm van een stroomdiagram. Tenslotte hebben de betrokken onderzoekers de totale ‘embodied energy’ van elk resultaat van deze stroomdiagrammen samengevat in één coëfficiënt. Om rekening te houden met de verschillende schaalniveaus, werd elke gebouwgeometrie, relevant voor Melbourne, gemodelleerd als een ‘schoendoos’ en gelinkt aan een gebouwtypologie. Vervolgens werd de typische samenstelling en gebruikte materialen voor elke gebouwtypologie in een database opgeslagen.

De tool is al toegepast voor verschillende steden en geeft op dit ogenblik een indicatie van de milieu-impact op het vlak van uitstoot van broeikasgassen, waterverbruik, materiaalverbruik én energieverbruik. Bij energieverbruik werd zowel de ‘embodied energy’ tijdens het gebruik als de ‘embodied energy’ gelinkt aan het transport in rekening gebracht. Zo detecteerden de onderzoekers bij enkele case studies de grote impact van het transport op het totale energieverbruik. Ze vergeleken ook de huidige situatie met mogelijke verbeteringsscenario’s, zoals het gebruik van PV-panelen, beter geïsoleerde gebouwen, het verminderen van transportafstanden, het gebruik van hybride auto’s, etc.

In de toekomst willen de onderzoekers het model verder verfijnen, ze willen de technische levensduur van materialen en renovaties ook in rekening brengen en ze willen met de tool advies kunnen geven.

Auteurs: Camille Vandervaeren (VUB) en Mieke Vandenbroucke (VIBE vzw)

Wil je meer inspirerend nieuws?