De afgelopen dagen sneuvelde het ene warmterecord na het andere. Vooral in steden is de extreme hitte niet enkel overdag maar ook ’s nachts enorm voelbaar. De media schreven uitvoerig over het stedelijke hitte-eilandeffect. Maar wat is dat nu precies? Bioloog en docent ecologische stedenbouw Erik Rombaut (KU Leuven) legt het ons uit.

“Het temperatuurverschil tussen stad en platteland kan op warme dagen oplopen tot 8 à 9° Celsius. De belangrijkste oorzaak hiervan zijn de bouwmaterialen en bodembedekkers die we gebruiken in onze steden. Beton, asfalt en roofing absorberen de warmte die de zon uitstraalt en zullen die ook opslaan. Wanneer het ’s nachts koeler is, lossen ze die opgeslagen warmte. Het probleem is dat langdurige hitte de afgifte van die warmte belemmert. De temperatuur in de binnenstad zal daardoor aanzienlijk stijgen, zeker in vergelijking met de stadsrand en het platteland. Die negatieve spiraal veroorzaakt een afwijkend stedelijk microklimaat met afwijkende temperaturen en dito neerslagpatronen”, aldus Rombaut.

Ook de traditionele hoogbouw in onze steden belemmert het warmteverlies. De driedimensionale structuur remt namelijk de weerkaatsing van zonnestralen af. Door de dichte bebouwing is er daarnaast minder windcirculatie en bijgevolg natuurlijke ventilatie. “Het monofunctionele ruimtegebruik in Vlaanderen zorgt dat natuurlijke elementen zoals water en vegetatie uit onze steden verdwijnen. Ons hokjesdenken jaagt de natuur uit de stad, terwijl we die daar net nodig hebben. Blauwgroene stromen hebben namelijk een verkoelende werking. Een ecosysteemdienst’ zoals dat heet: een gratis dienst die de natuur ons als samenleving aanreikt. Bewijs: het temperatuurverschil tussen stad en platteland.”

Blauwgroene stromen

Op het platteland maken de blauwgroene stromen de zonnewarmte onschadelijk. Erik Rombaut: “Dat is te verklaren door twee factoren. Enerzijds is er het fysische effect van verdamping (of evaporatie) waarbij water de warmte opneemt om te verdampen. Anderzijds is er ook een belangrijk biologisch effect waarbij de vegetatie een hoofdrol speelt. Om te kunnen groeien en stevig te blijven, nemen planten namelijk water op. Die toevoer is continu dus moet de plant in staat zijn om het water ook terug af te geven. Via huidmondjes op het blad kan het water terug verdampen. De combinatie van het fysische en biologische effect staat gekend als evapotranspiratie. De uitwaseming van water neemt veel warmte weg waardoor dit systeem afkoelend werkt op de lokale omgeving. De stad is een ‘droog landschap’ waar de afwezigheid van blauwgroene stromen ervoor zorgt dat warmte blijft hangen en dus niet kan geneutraliseerd worden. Gevolg? De hitte-eilanden die onze steden teisteren.”

Bron: EMIS – VITO

Lobbenstad

Een oplossing die Rombaut bepleit, is de hertekening van onze steden. “Onze ruimtelijke planning en stedenbouw maken het hitte-eilandeffect alleen maar erger. We moeten streven naar woon- en leefkernen waar hoge bevolkingsdensiteiten samengaan met de implementatie van blauwgroene stromen. Het lobbenstadmodel leent zich daartoe. Naast het stadscentrum met de nodige centrumfuncties (zoals bijvoorbeeld het ziekenhuis en het cultuurcentrum) zijn er enerzijds de compact bebouwde hoog dynamische lobben die gedragen worden door het verkeersnetwerk. Anderzijds zijn er ook blauwgroene vingers die tot diep in de lobben en het stadscentrum doordringen. Het wonen is gesitueerd tussen deze twee structuren.”

Het lobbenstadmodel laat zo toe dat de woningen zich dichtbij de stedelijke voorzieningen als bij het natuur- en recreatiegroen bevinden. De ideale breedte van een lob bedraagt 600 meter. Zo hoef je je nooit meer dan 300 meter te verplaatsen om de blauwgroene infrastructuur te bereiken. De aangewezen lengte is 2 à 3 kilometer. Als fietser bevind je je dan nooit op meer dan 20 minuten afstand van het centraal station. “In het buitenland raakt het lobbenstadmodel stilaan ingeburgerd. Denk maar aan steden zoals Houten, Amsterdam, Kopenhagen of Berlijn. Hopelijk volgen de Belgische steden binnenkort”, besluit Rombaut.

Lees het volledige artikel in het septembernummer van ‘Ik ga bouwen en renoveren’.